Ik heb al geklaagd over mijn fietsroute naar het werk, of eerder het gebrek aan een fietsroute. Maar putten en bulten in de Motorstraat of pijnlijke spoorwegrails in de haven vergeet ik telkens opnieuw.
Wanneer ik Walter ontmoet.
Bijna elke ochtend kruis ik hem, soms aan Weba, soms in de Aziëstraat, soms aan de Muidebrug. Met zijn rode jas, kromgebogen over zijn stuur tegen de wind, het hele jaar door. 73 jaar is hij.
Er is vaak oogcontact. Maar het respect is te groot, ik waag me zelfs niet aan een hoofdknik.
Walter doet eigenlijk mijn route maar dan in de andere richting. Hij rijdt ’s morgens naar de Henri Farmanstraat, naar zijn Loods 13, in de haven. (u kent deze straat niet, tenzij u één van die sluipwegautomobilisten bent die me bijna dagelijks overhoop rijdt, ter hoogte van Formule 1)
Het gebeurt niet zelden dat ik mijn traject al fluitend verderzet.
Dit liedje bijvoorbeeld, één van zijn mooiste:
‘k Zou zo gere willen leven
In ne wereld zonder haat
Zonder macht en zonder streven
Waar dat ‘t al vanzelf gaat
‘k Zou zo gere willen leven
In ne wereld zonder pijn
Waar iedereen het al kan geven
En het geestig is te zijn
‘k Zou zo gere willen leven
In ne wereld zonder geld
Da de niet van schrik moet beven
Veur nen oorlog en geweld
‘k Zou zo gere willen leven
In ne wereld zonder doel
Waar gerekend wordt met schreefkens
Geen bankiers en genen boel
‘k Zou zo gere willen leven
In ne wereld zonder werk
Waar dat alles gaat al spelend
Da de ‘t werken niet en merkt
‘k Zou zo gere willen leven
In ne wereld zonder schrik
Hoe dat ‘t zou zijn, ‘t is om ‘t even
Zeker beter da wete kik
‘k Zou zo gere gelijk de bomen
Staan met wortels in de grond
En mijn takken naar omhoge
En geen woord in mijne mond
‘k Zou zo gere keune vliege
Gelijk ne veugel in de lucht
Zachtjes op de wolken wiegen
Geen lawijt, zelfs gene zucht
‘k Zou zo gere, ‘k zou zo gere
‘k Zou van alles willen doen
Schone luchtkastelen bouwen
En tons slapen tot de noen
‘k Zou zo vele wille geven
Veur ne wereld met veel groen
Waar nog veugels kunnen leven
En mijn liedjes niet vandoen
(Walter De Buck, 1972)
Ik zie mezelf al staan, over 35 jaar, aan het standbeeld van Walter De Buck.
“Opa, wiesda?”
“Dat? Dat is Walter. Mijn oude fietsmakker.”