logica

Gisteren in De Morgen.

Toen de nieuwe Radio 1 de ether inging, was de kritiek niet van de lucht. De jongste CIM-cijfers geven de criticasters ongelijk. Het marktaandeel van de zender steeg tussen 18 augustus en 22 december met bijna 1 procent.

Logica.
Hoofdstuk 1.
De foute bewijsstelling.

voorbeeld 1:
“Smurfen zijn blauw, dus Gargamel is een jeanet.”

voorbeeld 2:
“Jozef verkoopt in zijn frietkot meer frikadellen dan satés, dus in frikadellen zit minder slachtafval dan in satés.”

voorbeeld 3:
Radio 1 is een bier. Dit bier kenmerkt zich vooral door zijn strak design (flesjes zonder etiket) en zijn bittere smaak. Het bier wordt dus vooral gesmaakt door de no-nonsense bierdrinker die bovendien houdt van bittere bieren. Op een goeie dag beslist de baas van dit biermerk om frisse etiketten op de flesjes te kleven en behoorlijk wat zoetstof bij het bier te voegen. De smaak is niet meer dezelfde en de trouwe bierdrinker herkent het bier niet meer. De kritiek is niet van de lucht. Een half jaar later blijkt de verkoop van het bier met bijna 1 procent gestegen. De cijfers geven de criticasters dus ongelijk.

Ging de kritiek over marktaandeel? Nee, de kritiek ging over kwaliteit.
A fortiori, marktaandeel is niet zelden omgekeerd evenredig met kwaliteit.

Waarmee ik niet wil gezegd hebben dat radio 1 de laatste tijd niet goed bezig is — op sommige punten hebben ze zich herpakt — maar dat neemt niet weg dat die redenering in het bewuste artikel zo vals is als het kattengejank van Geert Bourgeois die Boudewijn De Groot mismeestert.

Advertenties

hebban olla vogala

Dat het niet de eerste Nederlandse zin is, dat wisten we al lang. [klik!]

Maar Laatoudengels? En dus geen Oud-Westnederfrankisch?

“Een overgestoken Vlaming die in Kent middeleeuws steenkolen-Engels schrijft lijkt bij de huidige stand van onze kennis het meest waarschijnlijke daderprofiel voor Hebban olla vogala.” [klik!]

Oei.

Zeggen dat mijn wereld instort, is lichtjes overdreven maar eh… hoe zit het dan met die verliefde monnik en zijn probatio pennae? Dat klopt toch nog, hoop ik.

respect

Ik vind dat iedereen recht heeft op minstens één stokpaardje. Dat is mijn mening en daar kan over gediscussieerd worden. En zo kom ik naadloos tot mijn stokpaardje.

Al een tijdje volg ik deze blog. Als u geen zin heeft om door te klikken: de schrijver wisselt met zijn lezers van gedachten over “reason, science, atheism, religion, politics and objectivism”.

Ik ben het nogal vaak met hem eens. En vandaag heeft hij het over mijn stokpaardje. Lees even mee:

Since freedom of speech is an undeniable necessary individual right, those who claim that it must be exercised with restraint are contradicting themselves – and are claiming illegitimate rights. “Limited free speech” is a contradiction in terms. Offending somebody is therefore not a crime. It may be immoral, if it’s irrational however. But the immoral is not the illegal.

Zijn meest recente artikel is een reactie op een uitspraak van VN-baas Ban Ki-moon, die via zijn woordvoerster het volgende op de wereld losliet:

“The Secretary-General strongly believes that freedom of expression should be exercised responsibly and in a way that respects all religious beliefs.”

Zo’n uitspraak wordt nu eenmaal van hem verwacht. Kofi Anan was ook meester in de patisserie van het opgestoken vingertje.

Ik ben het dus niet eens met de stelling van Ban Ki-moon. Net als iedereen heb ik respect voor ’t één en ’t ander. Sommigen hebben respect voor alles en iedereen. Respect daarvoor. Maar er zijn ook mensen die minder filantropisch door het leven dansen — ik bijvoorbeeld (doch vreest niet, ik heb geen springstof nodig om die levenshouding kracht bij te zetten).

Concreet. Ik heb GEEN respect voor religies. Nooit gehad. Het lukt me niet. En hoe meer ik in discussie treed met belijders van verschillende wereldgodsdiensten, hoe minder ik het respect kan opbrengen voor hun geloof. Het is zo. Ik vind het zelf geen prettig gevoel maar het is zo.

Vroeger kreeg ik het koud noch warm wanneer ik “allaaaaaaaoeakbar” op radio of tv hoorde. De laatste tijd word ik er kotsmisselijk van. Ik kan het niet helpen, ook al mag ik enkele moslims onder mijn vrienden rekenen.

En als u een ander gevoel, een andere mening heeft, dan wil ik het daar graag eens over hebben. Ik zal niet bijten. Ik zal zelfs mijn stem niet verheffen, laat staan een mes in uw borst planten. Gewoon eens van gedachten wisselen. Met alle respect.

nieuw Gents

Mijne haren rijzen te berge.
Dat gebeurt meermaals per dag. Een verschijnsel dat meestal gepaard gaat met een DIE waar een DAT moet staan. Of een ALS waar een OF moet staan.

Het is één van de redenen waarom ik zelden tv kijk. Sinds de wonderlijke uitvinding van de man in de straat en zijn ondertitels.

Maar sinds onze jongste dochter aan reflux doet — ’t is eens wat anders dan ballet — heb ik soms geen handen vrij om te computeren en kijk ik meer tv dan ik kan verdragen.

Daarnet op Canvas, Gabriel Rios over zijn grootvader die in 1945 even in Brussel verbleef:

“Ik weet niet ALS hij lang in België is geweest.”

Van Gabriel Rios kan ik dat verdragen. Het zal u maar overkomen. Verhuizen naar een ver land, een vreemde taal moeten leren. En dan blijkt uw taalcoach zélf een vreemdeling te zijn.

Het doet me denken aan een bekende Ploegsteertenaar die in zijn tienerjaren Nederlands leerde van Nico Mattan. How lucky can you get?

rookvrij

Ik kijk echt uit naar een algemeen rookverbod in de horeca. Zopas las ik nog een artikel (klik! of klik!) over kinderen en passief roken. Samengevat:

  • Dagelijks ademen ongeveer 900.000 Belgische kinderen jonger dan 14 jaar lucht in die door tabaksrook is vervuild.
  • Ouders moeten hun kinderen beschermen tegen passief roken.

Met dat laatste ben ik het volledig eens. Wat dus betekent dat je tijdens een uitstapje nooit zomaar een café kan binnengaan omdat je kinderen dorst of kou hebben, vanuit de naïeve hypothese “[dorst + koude] + café = [drank + warmte]”. Als er een rookverbod zou komen, kan dat dus wel. Bijvoorbeeld in de winter met het gezin gaan wandelen op den buiten en in het enige café in de buurt een uurtje gaan opwarmen zonder uitgerookt te worden. En dan met een warme neus de terugweg aanvatten. Moet zalig zijn.

“En dan? In onze tijd was er geen rookverbod en wij hadden daar nooit last van.”
Ah bon. Ik anders wel.

Ik ben opgegroeid in sigarettenrook: thuis / in cafés en voetbalkantines / zelfs in de Chiro. Mijn hele kindertijd had ik serieuze luchtwegproblemen. En dan heb ik ook nog een paar jaren gerookt als tiener. Uiteraard. Ik schrijf “uiteraard”, ook al vind ik dat afkomst nooit als excuus gebruikt kan worden (en met die mening bevind ik mij aan de rechterkant van het politiek spectrum, i know, dat gebeurt). Maar je kan afkomst wel als mogelijke verklaring gebruiken, vandaar die “uiteraard”.

Ik zit dus te wachten op een algemeen rookverbod en ik kan ziedend worden als ik de tegenargumenten hoor. Ik heb geen zin om ze nog eens op te lijsten maar met de dooddoeners “betuttelend’ en “omzetverlies” heeft u er al twee.

Het heeft natuurlijk ook te maken met één van mijn stokpaardjes, het in vraag stellen van tradities. Die hebben zelden iets te maken met logica of gezond verstand. Er is bijvoorbeeld niemand in mijn omgeving die het “betuttelend” vindt dat vrouwenbesnijdenis in België verboden is. (Niet meer dan logisch? U bent dus geen Somaliër bijvoorbeeld. “Tradities meneer.”) De gevolgen van (passief) roken zijn natuurlijk louter fysiek niet te vergelijken, maar daarom niet minder ingrijpend, vooral als je ’t bekijkt op langere termijn.

En dan zwijg ik nog over uw droge ogen die pieken, over uw kleren die ge na elk cafébezoek in de was moogt smijten, over uw haar dat stinkt, over het aantal doden door woningbrand en bosbrand, enz.

Klinkt misschien een beetje raar maar ik heb niets tegen rokers — alleen: “Uw vrijheid houdt op waar die van een ander begint”. Daar ben ik weer.

daar heb ik nog gewoond

[ik heb nog niet eerder een gentblogt-tekstje op mijn persoonlijk weblog gezet maar voor deze tekst maak ik logischerwijze een uitzondering]

Bijna dagelijks fiets ik voorbij huizen waar ik vroeger nog heb gewoond. De laatste tijd betrap ik mezelf steeds vaker op dagdromerij als ik die adresjes passeer.

(1) Schouwvegersstraat 26. (1993-1996)
Hier zat ik op kot. Een rijhuis met zeven studentenkamers, ik sliep op de tussenverdieping wegens goedkoop (3400 frank per maand). Met de nadruk op sliep. En ook werkjes uitschrijven met stylo, eerst in ’t klad en dan in ’t net. Ik was nog één van de weinige studenten die het zonder computer moest stellen (mijn eerste pc heb ik gekocht toen ik 22 was). In de Schouwvegersstraat heb ik ongelooflijk graag gewoond. Ook al lijkt het een studentenstraatje, toch woonden links en rechts van ons geen studenten maar ‘gewone’ mensen waar we een goed contact mee hadden. Tegenover ons woonde Grazz, toen hij nog gewoon DJ Grazzhoppa heette. Hij woonde in het eerste huis voorbij de blinde muur van Sint-Lucas (kunstsecundair).
Ik zou een een boek kunnen schrijven over de toeren die we hebben uitgehaald in de Schouwvegersstraat. Drie andere kotgenoten waren goede vrienden uit Lokeren (nee, het zijn dus niet uitsluitend Westfluten die op kot zitten vlakbij Sint-Lucas). Maar de speeljaren naderden hun einde en samen met de beslissing om voor een diploma te gaan, kwam de verhuis naar de Rodelijvekensstraat. Een nieuw adres, een nieuw leven. Ik kocht een wekker en een kopieerkaart.

(2) Rodelijvekensstraat 118. (1996-1998)
Geen kot maar een gezellige beluikwoning. Ik woonde daar samen met een vriend die toen al werkte. En een poes (Sioban, die nu nog leeft en zijn oude dag slijt in Lokeren). De benedenverdieping was gemeenschappelijk (woonkamer, keuken, badkamer) en de eerste en tweede verdieping slaapkamers. Eigenlijk heb ik daar maar een goed jaar gewoond want in 1998 woonde ik even op de 11e verdieping van een flatgebouw in Amstelveen. Om de zoveel minuten een vliegtuig boven mijn hoofd en zo zat ik noodgedwongen de hele dag in de binnenstad van Amsterdam, waar ik aan de Hogeschool Amsterdam mijn laatste jaar heb afgewerkt. Mijn kamer in de Rodelijvekensstraat kon ik via Erasmus verhuren aan een Nederlander die in de Hogeschool Gent een bierproject volgde, of zoiets.

(3) Ottogracht 7. (1998-1999)
Verschrikkelijk! Slechts 10 maanden heb ik daar gewoond. Ik gaf mijn eerste jaar les in een middelbare school ver weg van Gent en ik associeer de Ottogracht alleen maar met afzien. Overdag lesgeven, ’s avonds tot heel laat lessen voorbereiden. In de Ottogracht woonde ik op een piepkleine studio onder het dak. Mijn vriendin studeerde nog en zat twee straten verder op kot. Zij kwam mij elke avond zeggen dat het allemaal zo erg niet is en dat een schooljaar zo voorbij is en dat ik dan wel een andere job zou vinden. En zo geschiedde: een nieuw adres, een nieuw leven. Alweer.

(4) Vorkstraat 15. (1999-2001)
We verhuisden naar de Vorkstraat, naar een arbeiderswoning met dunne muren. In die tijd had de Vorkstraat nog 2 volledige huizenrijen maar de straat was toen al verkommerd. Als ik het goed heb, is de kant aan de Achtermuide nu volledig platgegooid en plant men daar sociale appartementen. In 2001 zijn we wegens geluidsoverlast op zoek moeten gaan naar een ander huis. Onze buurman was een jonge gast die ’s avonds moest werken en ’s nachts zijn stereo of tv veel te luid zette. Het kruid in zijn sigaretten zorgde er voor dat hij als een blok in slaap viel en dat het lawaai pas de volgende ochtend werd afgezet. Leven in de stad, het vereist een minimum aan opvoeding.

(5) Phoenixstraat 58. (2001-2004)
In de Phoenixstraat kenden we een eerste upgrade van ons wooncomfort. Een prachtig gerenoveerd beluikhuis, te bezichtigen in het beluik ’40-60′, naast bloemenwinkel Blue Nimf (die toen aan de overkant was maar nu is verhuisd naar de plaats van de terziele gegane buurtwinkel ‘In den witte Turk’ – ja, zo stond het er echt). Maar de Phoenixstraat is een heel drukke, lawaaierige straat. Tot zover de nadelen want wonen in die straat betekent ook: op uw sloffen om een krant, een döner kebab, een brood.

gewoond.jpg

(6) Maar we hunkerden toen al naar een rustig huis, een tuintje misschien, een optie op kinderen. Sinds 2004 wonen we in de rand van Gent, zoals zovele jonge gezinnen. Gelukkig fiets ik nog dagelijks door het centrum van Gent. Het wegdromen hoort daar stilaan bij.