zwemles

Zaterdag was de eerste zwemles voor Lena, niveau: ‘Kleuterzwemmen 1’.

Eerst de samenvatting: ik werd uitgelachen door enkele ouders van andere kindjes en Lena heeft minstens 20 van de 30 minuten zwemles onophoudelijk en heel fanatiek gehuild. Maar voor de rest: leuk!

Onze plaatselijke afdeling van den bond heeft het zowat gehád met e-mail en andere progressieve extremiteiten, daarom hadden wij telefonisch moeten inschrijven. Als trouwe lezer weet u al dat ik dan weer een probleem heb met telefoneren en dat ik daardoor de cruciale vragen vergat te stellen. Zoals:

“Is het de bedoeling dat de ouders meegaan in het zwembad?”

Vorige week kregen we een zeer lange brief met daarin de praktische gegevens netjes verstopt in doorlopende tekst. Helaas geen woord over ouders en het al dan niet aandoen van zwemkledij en meegaan in het zwembad. In de omslag ook een lichtpaarse badmuts, een grote lap caoutchouc, die pijn doet als je veel en lang haar hebt, maar verplicht te dragen zodat het legertje zwemjuffen en zwemmeesters hun toegewezen pagadders terugvinden.

Om de verwarring compleet te maken waren er ook kindjes met – naast gele en groene en witte en roze – donkerpaarse badmuts en die hoorden niet bij de groep van Lena. Het was echter niet de ideale setting om Lena het verschil tussen lichte kleuren en donkere kleuren uit te leggen maar we hebben dat toch maar gedaan.

Alle zwemlessen voor alle niveaus, van baby tot lagere school, gaan door tussen 13 en 15u. Als u zich niks kan voorstellen bij de woorden “chaos”, “overrompeling”, “hels lawaai”,… een zaterdagmiddag in zwembad Rosas.

In dit soort zottekot was het me volledig ontgaan dat ik, op het moment dat de instructeurs hun opwachting zouden maken aan de douches, als enige op-een-zwembroek-na naakte volwassene tussen een vijftigtal aangeklede volwassenen stond. Toen mij lachend werd gevraagd of ik “ook nog moest leren zwemmen” en ik in alle eerlijkheid “ja” antwoordde wegens ik kan niet zwemmen — maar dat is een ander verhaal — begon Lena het wat verdacht te vinden.

“Papa, jij gaat mee in het zwembad hé?
Jij gaat bij mij blijven hé papa?”

Nog vóór ik kon antwoorden kwam de oberzwembahnführer mij melden dat ik écht niet mee mocht in het zwembad en op datzelfde moment hadden alle zwemjuffen en zwemmeesters het fantastische idee om allemaal tegelijkertijd, ik zweer het, hun badmutskleurtjes af te roepen en de kinderen in groepjes te verzamelen. En natuurlijk dat niemand hoorde wat ik toen zei.

“Het stond NIET in de brief.”

Bottleneck in de douche. Lena net niet vertrappeld maar wel letterlijk meegesleurd naar het zwembad. Ik bleef alleen achter bij die mensen met kleren aan, die elkaar ook allemaal leken te kennen. Ik moest aan La vita è bella denken, terwijl ik die film nooit zag.

Lena heeft totaal geen watervrees – integendeel, ze zwemt heel graag. Maar de kans dat ze wél zwembadvrees en badmutsvrees – na de derde poging heb ik externe hulp moeten inroepen – heeft opgedaan, is groot. Ze is pas gestopt met wenen toen ze mij eindelijk door het raam zag, aan de buitenkant van het zwembad (met kleren aan).

Er zal zaterdag wat overredingskracht nodig zijn voor de tweede zwemles.
(ze gaan mij minstens iets heel lekkers moeten beloven)

Ondanks alles: hulde aan de zwem-instructeurs.
Ik zou het zélf niet kunnen eigenlijk. Tenzij ik zou kunnen zwemmen.

Lena ziet het in elk geval nog zitten, nu toch.
Ze heeft er zelfs een tekening van gemaakt.

zwemles

Advertenties

rommelmarkt

Vandaag stond ik de eerste keer in mijn leven op een rommelmarkt.
En wijs jong!

Nochtans zijn rommelmarkten mijn ding niet. Afschuimen doe ik nooit.

Anders wél mijn ding = dagje buitenlucht + frigobox + fijn gezelschap.
(en daar dan nog dik voor betaald worden, ongeveer 130 euro opbrengst)

Ik heb verkocht:

  • een tweelingbuggy
  • twee barkrukken
  • een zeer lelijke fietshelm
  • een luieremmer
  • een boekentasje, een rugzakje, een schoudertasje
  • een soort matje om niet uit te glijden onder de douche
  • een nep-swiffer
  • drie bureaulampjes
  • speelgoed: een kassa, een puzzel, een domino-spel, een houten hond, een houten meetrekdiertje, een sleutelpoppetjesvormenhuisje, een autootje dat muziek maakt, een rammelaar en nog wat andere dingen
  • heel veel kinderkleren, ongeveer de inhoud van 2 wasmanden vol, we waren dan ook onverantwoord niet-commercieel bezig (alles van kleren aan 50 cent)
  • een tiental knuffels
  • en dan nog alle dingen die ik al vergeten ben

Ik heb niet verkocht:

  • een houten hobbelrups
  • een ergonomische bureaustoel
  • een lading kinderkleren
  • een lading knuffels (ook al gaf ik ze vanaf 17u aan iedereen gratis mee)

Ik had nog kúnnen verkopen: ongeveer 10 keer meer.
Maar dan heb ik een grotere auto nodig. En dan zwijg ik nog over de inhoud van de zolder. En over de inhoud van het tuinhuis. En dan zwijg ik ook nog over boeken en cd’s en dvd’s.

Er moeten dringend heel veel dingen wég uit ons huis, vind ik. Maar daarover zal onderhandeld moeten worden. In dat soort onderhandelingen delf ik doorgaans het onderspit, wegens niet bevoegd om te begrijpen wat het belang is van meer dan 10 poppen en 3 poppenbuggy’s enzovoort enzovoort.

Volgend jaar sta ik er weer. Als ik zo lang kan wachten tenminste.

het nieuwe Gents

Er is wat commotie omtrent het schabouwelijk Nederlands van televisie-acteurs en bij uitbreiding alle gespuis op de beeldbuis.

Het proces is al een eeuwigheid aan de gang. Antwerps-Brabants is een gigantische olievlek op de reeds vervuilde binnenzee. De komst van VTM in 1989 heeft alles in een stroomversnelling gebracht en sinds reality-tv en BijnaBV-tv de norm zijn, is het hek helemaal van de dam. Ik lig er niet echt wakker van. Dat Veerle Baetens in Code 37 geen Gents klapt, zelfs geen Nederlands, kan me weinig schelen zolang ze maar geloofwaardig acteert — ik heb bijvoorbeeld veel meer moeite met een Engelstalige Jean-Baptiste Grenouille.

Maar het “zeg-manneke-‘kkannekik-da-toch-nie-gerieke-da-gij-van-job-zij-veranderd” is wel één van de vele redenen waarom ik zelden televisie kijk. Ik ben al blij dat het nieuws wordt voorgelezen in de standaardtaal en dat bijvoorbeeld Antwerpenaar Frank Raes de voetbalwedstrijden in het Nederlands van commentaar voorziet, alle lof daarvoor. Hij zegt dus niet:

“Allèij schaats!
Da siede van duuzd mèèter da Tommeke De Súúter afsaat loept!”

Ik denk te behoren tot de happy few die de standaardtaal ook in gesproken versie kan hanteren, al gebruik ik het eigenlijk alleen op mijn werk, en dan nog uitsluitend t.o.v. studenten, dus zelden als ik met collega’s praat, dan is het meestal ons allerbeminde Verkavelingsvlaams (hetgeen gepermitteerd is want ik woon in een verkaveling). Ik zou het Algemeen Nederlands kunnen hanteren op mijn weblog, al staat mijn klak nogal naar dialectogene neologismen de laatste tijd, de zomervakantie zit daar ook voor iets tussen.

Als ik wil spreek ik vloeiend het dialect van het dorp waar ik ben opgegroeid maar de gelegenheid doet zich slechts zelden voor. Kortom, ik ben perfect drietalig: mijn dialect + Verkavelingsvlaams + Nederlands. Een combinatie van alle drie zorgt zelfs voor een vierde variant. En zelfs een vijfde variant, want net zoals de meeste Vlaamse bloggers wordt mijn blogtaal (onbewust) een beetje beïnvloed door michelspeak.

Maar in Gent!
De laatste tijd hoor ik steeds meer mensen in Gent ‘dingen’ zeggen.
Dingen waar ik sikkeneurig van word, moorddadig soms. Ik heb het niet over nieuwe Gentenaren zoals ikzelf, maar over Gentenaren die in de verste verte geen roots buiten Gent hebben. Echte Gentenaren [1] of bijvoorbeeld kinderen van geboren-en-getogen deelgemeentenaren [2]. En toch vervallen ze in een taaltje waarvan ze dénken dat het een soort gekuist NederGents is. Twee voorbeelden:

[1] “Een kindje die dringend naar toilet moet, dat is nie iets die erg is hé.”
(mét onvervalste Gentse tongval, dat wel)

[2] “Hastn, è’tal’ hoord? d’er haa nieuw stadion kome voor AA Hent.”
(ook hier: onvervalste Gentse tongval maar dus geen Gents, echt niet)

Begrijp me niet verkeerd. Ik spreek zelf geen Gents en ik zal het nooit spreken.
Maar er is een wereld van verschil tussen het spreken van een regiolect en het verwaarlozen van uw moedertaal.

van die keer dat het september was

En dat het leven plots agressief met de faren begon te flitsen om ons vervolgens rechts in te halen.

Wij werken beiden in het soort fabriek waar je alleen maar september moet overleven om voor de rest het hele schooljaar zo goed als vegeterend door te komen. Hetgeen helemaal gelogen is maar u begrijpt wat ik bedoel.

Werkmaand September valt bangelijk samen met Feestmaand September. Als we het laatste weekend van augustus meetellen, dan komen we aan 5 opeenvolgende weekends van feesten, zomerstuipen, dingen doen.

Er was een memorabel vrijgezellenweekend en het weekend nadien was er o.a. een heerlijk trouwfeestje. Er is straks nog Coyendans waar wij de hele zaterdag een rommelstand zullen verzorgen — zoek ons zaterdag in de Gandastraat, ge kunt kloppen doen, ‘zweertu — en waar wij zondag naar kleutertoneel gaan, nadat we elders onze sporen zullen verdiend hebben op de paddenstoelententoonstelling in de Tuin van Kina.

En ook de overige weekends zitten nog stamp-nok-eivol. Er is een speelplaatshappening en er is het tienjarig bestaan van een obscuur whisky-gezelschap waarvoor ik ook al het hele weekend afhuizig zal zijn.
It’s a dirty job but someone’s gotta do it.