ode aan de kust

Een hardnekkig misverstand is het, dat ik niet zou willen weten van de zee.
Er is voldoende plaats voor liefde in mijn haat-liefdeverhouding met tzijtjen.

De kust, dat is ongelooflijk de max. In november. In februari. Als de zeelucht in één asem zeer doet en goed doet. Als uw muts geen bescherming biedt tegen oorpijn en als het watersnot zich ter hoogte van uw lippen vermengt met zilte windtranen. Het decor smeekt om een slok Laphroaig.

De kust, dat is ongelooflijk de max. Zelfs in de zomer, maar dan ’s morgens of ’s avonds. Als het harde strand nog nat is van de teruggetrokken zee, als er aan het strand geen einde lijkt te komen, als er geen roodverbrande kwallen liggen, als de zon slechts aanwezig is door de schittering in de golven.

Maar de kust, dat is ook soms zo ongelooflijk helemaal niet de max. Bijvoorbeeld, het is zaterdag 10 juli, het is middag, een hittegolf geselt het land. De helft van de wereld zit aan de kust en de andere helft is onderweg. Ik zit op het strand en moet denken aan iets wat ik een uurtje eerder heb gelezen in één van mijn vakantieboekjes —José Saramago, ‘De andere kant’.

“De leugen waart overal straffeloos rond en is een soort andere waarheid geworden.”

Dat is schoon. Saramago fulmineert als een jong veulen –op zevenentachtigjarige leeftijd en een paar maanden vóór zijn dood– tegen “het tijdperk van de leugen” (met ondermeer Berlusconi en Bush als casus).

De hitte doet wat met een mens. Ik zit hier op het strand en ik tuur naar leugenaars. Ik hoor op dit moment een Brabantse bomma een praatje slaan met een Mechelse moederkloek terwijl hun kroosten schelpjes tellen en papieren bloemen versjacheren.

“Nee, vroeger zaten wij elke zomer in Middelkerke maar we wilden dees jaar eens iets anders. En ’t bevalt ons wel, het strand is hier precies ook groter.”

Zij zijn de enigen die ik kan afluisteren en toch weet ik mij omsingeld door leugenaars.
En ik weet dat ik er zelf één ben.

“Ja jong, als de kinderen content zijn, dan zijn wij ook content.
Nee, ja, dat is zo.”

Ik sta recht, ik verdraag geen zand aan mijn poep. Mijn zichtsveld wordt groter en ik begin medestanders te ontdekken. Ik zie mannen met een grimas die ik herken, de uitdrukking waarin je vurige pamfletten kan lezen. Mannen van wie de gedachten bijvoorbeeld naar de slotkilometers van de zevende etappe gaan, verdorie toch. Misschien dat Armstrong op dit eigenste moment iedereen op minuten rijdt en niemand die het ons komt vertellen, ah neen.

Ik voel het, ik weet het, ik ben niet de enige die zich al een eeuwigheid afvraagt wat de meerwaarde is van veel te veel en veel te warm zand. Wat de meerwaarde is van veel te koud water. Wat de meerwaarde is van veel te veel mensen in veel te veel winkels en veel te dure restaurants.

Maar de kinderen waren content, dus wij ook content. Zo is dat. Nee, echt.

namen

Advertenties

Een gedachte over “ode aan de kust

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s