fietsgesprekken

Ik was na het werk nog naar de ingang gefietst en daar was Lena al aan het uitblazen van haar eerste dansles, die overigens zeer goed is verlopen. Ze wilde mee op de fiets naar huis, Zita reed mee met Nele met de auto.

Die fietsgesprekken, ik heb het al gezegd maar dat is ongeveer van ’t zaligste dat er bestaat. En hoe groter dat wordt, zo’n kinders, hoe straffer de dingen die ze uit hun botten slaan.

“Papa, waarom rijd jij zo snel?”

(*voelt zich betrapt*) “Eh… omdat ik de eerste wil zijn.”

“Maar Papa zeg! Dat is toch niet be-lang-rijk!”

Tien minuten later vliegen we onze straat in, Lena ziet dat onze auto nog niet voor de deur staat en wordt uitzinnig van vreugde. Ze heeft 5 minuten staan springen: “We zijn de eerste! We zijn de eerste!”

Advertenties

het uniform van de subcultuur

Ik wou dat ik het zelf bedacht had maar ik heb het afgeluisterd van een groeneke.*

“Die voelen ulder echt kweeniewa omda ze geen uniform moeten dragen maar ze lopen wel allemaal met dezelfde vodden aan hun lijf.”

Jammer dat ik slechts een flard van het gesprek heb kunnen volgen. Maar het was duidelijk dat de groene vriendinnen aan het afgeven waren op die bonte bende van athenea en dingen, die olijkerds hebben trouwens de Korenlei geannexeerd en ze dragen inderdaad allemaal hetzelfde maar dan anders. Broekkousen en beenverwarmers en basketsloefkes.

Ze bestaan dus nog, de subculturen van de humaniora. Al heb ik de indruk dat het hier en nu allemaal wat complexer is dan in mijn tijd in een proviniciestadje, daar kon je immers slechts 2 kanten uit. Je kon kiezen: ofwel hoorde je tot de groep van scholieren die op vrijdag na schooltijd afzakte naar één welbepaald café –dat waren de jongelui die hun T-shirt in hun broek steken en twintig jaar later op de plaatselijke VLD-lijst gaan staan– ofwel hoorde je tot de andere groep, zij die op vrijdag na schooltijd afzakten naar het jeugdhuis –dat waren de alternatief geüniformiseerden, wij moesten allemaal de Pixies goed vinden. Het was geen enkel probleem om bij één van die twee groepen te horen, het was pas een probleem als je bij beide groepen tegelijk wilde horen of –nog véél erger– als je op vrijdag na schooltijd naar huis moest van mama en papa, dan hoorde je dus nergens bij.

Hier in Gent zie ik echt vanalles en nog wat. Er zijn trouwens ook jongeren die rondlopen met een afgezakte jeansbroek (zonder te vallen!) en die dragen ook een baseball-klakske maar dan helemaal bovenop hun hoofd, alsof er nog een extra hoofd onder zit. Die groep vind ik het grappigst.

______________________________________________
(*groenekes in Sint-Bavo, grijzekes in Sint-Pieters en blauwkes in Sint-Lievens, denk ik) (eh… dus, blauw in Sint-Pieters en grijs in Nieuwen Bosch?)

mens, wat gaan ze nog allemaal uitvinden

Toen ik deze middag hoorde dat de bovenlip van Lena kapot was, zag ik in gedachten de draadjes al zitten.

Vooraan in onze bakfiets zijn 2 scherpe punten, de randen van de metalen buisjes waar de regentent in moet, en daar is ze op gevallen, zo’n randje zat volledig door haar lip.

Maar de wetenschap staat voor niks. In mijn tijd werd dat sowieso genaaid –ik kan die littekens niet op één hand tellen– maar tegenwoordig bestaat er zoiets als weefsellijm. Ik had er nog nooit van gehoord.

Een paar uur later was ze al verstoppertje aan ’t spelen:

het handelsdok en de mantrisse

Het voelt als een gedwongen huwelijk, denk ik.
Om onverklaarbare redenen begin je na ettelijke jaren dan toch van elkaar te houden.

En sinds die buizen kan ik het zelfs niet meer laten om voortdurend naar het Handelsdok te lonken. Sluiks, vanachter mijn bureau. Het buizengevaarte doet me denken aan die fantastische stripreeks van Leo, waarin de Mantrisse –een mysterieus wezen dat af en toe uit het water opduikt– verschillende vormen kan aannemen.

Als ik ’s morgens langs het houtdok fiets, zie ik de Mantrisse al opdoemen.

Handelsdok revisited

Tegen de middag lijkt het beest al gegeten te hebben.

Handelsdok revisited

Oh, en ik heb zowaar een doener gevonden!
Kan niet missen dat het daar zo vooruit gaat.

Handelsdok revisited

[meer foto’s]

ach wat zou een maandag nog zijn zonder weekend

Zaterdag. Ik weet niet wat u daarvan vindt maar ik vond het zaterdag de schoonste zomerdag van alle voorbije zomerdagen. Door omstandigheden moesten wij die dag doorbrengen in openlucht, in zeer fijn gezelschap. Dat heeft ons iets meer dan 100 euro opgeleverd, denk ik.

De auto kan nog steeds niet binnen in onze garage maar volgend jaar doen we opnieuw van rommelmarkt en gaan we voor een dubbele standplaats.

een dagje rommelmarkt

En had ik u al verteld dat wij –sinds de beslissing zo ongeveer werd genomen dat we die gezinsuitbreiding liever overlaten aan vrienden en aanverwanten– zo nu en dan eens een baby op schoot nemen om ze dan als ze beginnen bleiten met een grote smile terug te geven aan de echte ouders?

Zondag. Deze morgen heb ik geprobeerd om een auto te starten met een plastieken sleutel. Het is niet gelukt.

Deze namiddag zijn we turf gaan steken in Destelbergen. Enfin, volgens de website van Open Monumentendag zouden er een vijftigtal turfputten te zien zijn maar die hebben we niet gevonden. Jammer, ik troost me met de geur van Lagavulin.

damvallei

het gebeurt soms dat de tijd u een loer wil draaien

Toen loeiharde klaboenkmuziek ons tegemoet kwam gefietst, was het bijna 4u in de ochtend en waren we dringend toe aan een rustpauze. Teneinde uit de statistieken van weekendongevallen te blijven, fietsen wij een paar keer per jaar, getooid in fluo, een landelijke route van Gent naar Lokeren en terug, telkens op een zaterdagavond. Maar een mens verwacht geen nachtelijk feestgedruis in het soort dorp waarvan niemand weet van welke andere gemeente het een deelgemeente zou kunnen zijn.

Wie in Hijfte opgroeit, kan zich daar maar beter aansluiten bij de katholieke jeugd voor landbouwerszonen en aangelanden. En als dan in die nacht waar je een heel jaar lang als dorpsjonker naar had uitgekeken, al dat volk al lang naar huis is en als dan de vrijwillige tappers het vat helemaal leegmaken en zich de werkelijkheid indrinken dat er geen zondag zal komen zolang ze wakker kunnen blijven, als dan plots 2 vreemde onnozelaars al fluitend uw lege feesttent komen binnengefietst, dan ben je de Heer zelve dankbaar en dan geef je die gasten gratis bier en wil je dat ze blijven.

Ze hadden naar ’t schijnt een feestje gehad en zelfs ene Henk Ryckaert was er in de tent komen standuppen, zeiden ze. Pas toen die naam viel en het bekertje leeg was, had ik door dat ik twintig jaar ouder ben en dat ik niet in een verloren jaartal als bijvoorbeeld dat van 1991 in een lege feesttent tussen mijn eigen dorpige dronken jeugd hetzelfde avontuur opnieuw en opnieuw aan het beleven was. We moeten hier weg, dat zei ik tegen mijn fietsgenoot en ik haalde mijn ledjes weer boven. Ik was mezelf dankbaar.

Voor wie met zijn grapjes kan lachen, kan de tijd een bondgenoot zijn.